In de marge

DE CLUB VAN ALBE: EEN TEKST IN DE MARGE

De titel van onze studiedag “In de marge…” doet denken aan een zinnetje van Fernand Deligny uit “a comme asile” (p7): “Kan men zeggen ‘asiel geven’ zoals men zegt dat een boom schaduw geeft ?  “ En onmiddellijk komt daar een beeld bij : in de schaduw van de bomen, in de overgang van het park van Albe naar het bos, vanwaar de reeën komen, aan de rand van Albe dus, maakt hij zijn ‘stekske’ …in het vroegere varkenskot.

Toen hij bij ons aankwam, had hij in een oude schuur gewoond, er stond een tafel en een stoel, er waren ratten. Hij kon, wou, durfde nooit gaan zitten, wou zich niet wassen, hield zijn kleren altijd aan.  Hij stond ook nooit rechtop, maar in een gebogen, verwrongen houding.  Hij is mensenschuw, deed ’s nachts fugues, is gepakt door beelden van de beenderen van de holocaust.

Hoe kunnen we iemand die zo verloren is, nergens, onthalen en ‘asiel’ geven in de nobele betekenis van het woord? …”Elk wezen welk het ook is, dat geen asiel vindt, zodra het bestaat, is gedoemd te verdwijnen vooraleer het zelfs maar de dag gezien heeft.” (p.7 Fernand Deligny)

Toen hij aankwam in Albe voor een gesprek rond de vraag of hij er zou kunnen of willen wonen, lag er toevallig een imkerspak van een vroeger atelier ergens onderaan in de kast, tussen de oude rommel.  Gepakt schreeuwde hij het uit en vroeg of er bijenkasten waren.  We zijn dan met hem geld gaan vragen aan de club en hebben een bijenatelier opgezet.  Er doen enkele andere bewoners mee, en een paar begeleiders.  Twee van die begeleiders hebben reeds een zware allergische reactie gedaan op een bijensteek.  Andere begeleiders namen het over, het estafettestokje wordt doorgegeven.  Er wordt honing geslingerd en verkocht en er ontstaat zo een ketting van uitwisselingen met andere ateliers en mensen.

Op de rand van het park, waar zich ook de bijenkasten bevinden, is hij dan zelf bijenkasten beginnen maken en zo ook zijn eigen ‘stekske’ in het vroegere varkenskot.  Rondom die marge waar hij asiel vindt, zijn er geleidelijk bewoonbare plekken ontstaan (de Gamma, het recyclagepark, de ijzerwinkel, …) en via deze eilandjes kon de wereld zich een klein beetje ontsluiten voor hem en hij zichzelf voor die wereld en die ‘andere’ mensen.  Geleidelijk aan ook is hij zich gaan ‘ontplooien’, letterlijk, kan hij meer rechtop staan, gaan zitten om te eten, boodschappen doen voor anderen…

De werking van de club is eigenlijk het dragende, bemiddelende vlak in deze geleidelijke ontsluiting.  De club organiseert via het clubsecretariaat en de clubvergadering allerlei ateliers (tekenen, toneel, bowling, bijen, netbal, …) waar de bewoners aan deel kunnen nemen.  Ze zijn echter niet verplicht om er aan deel te nemen, worden uitgenodigd, gemotiveerd, aangespoord, maar ook met rust gelaten als ze niet willen meedoen.  We organiseren dus niet juist die ateliers die veel succes hebben, meer nog: een atelier dat te veel succes heeft, te vanzelfsprekend wordt, kan zelfs gestopt worden.  Als er op een gegeven ogenblik geen bewoners zijn om aan een bepaald atelier deel te nemen, laten we het soms toch doorgaan.

Als hij, terwijl hij zo goed als samenvalt met de bijen en de bijenkasten, beslist om mee te doen met het recyclage-atelier en niet met het bijen-atelier, doen we het bijen-atelier zonder hem en soms dus zonder bewoners: de beslissing om niet mee te doen is even belangrijk als de beslissing om wel mee te doen, het bijen-atelier blijft ook zonder zijn aanwezigheid bestaan.

Is dit geen geld- en tijdverspilling?  Kunnen we onze energie, onze tijd en het geld van de overheid niet nuttiger besteden en enkel geld, tijd en energie steken in ateliers waar minimum een aantal bewoners aan meedoen?  Een soort ‘quotum’ definiëren, bij voorbeeld: zodra er twee bewoners meedoen, gaat een atelier door?  Nee, dus!

Het beleid waar we zo toe komen en het beheer van het clubgeld, is natuurlijk niet transparant.  Waar gaat het geld naartoe en wat levert het op?  Waar wordt er energie in gestoken en wat wordt er geproduceerd?  Kan er geld verloren gaan?  Een deel van het geld, van de tijd, van de ruimte en van de energie komt onder het beheer van de club, waar in een aparte structuur, losgemaakt van de structuur van Albe, beslist wordt waar dit geld naartoe gaat.  De club creëert dus een opening tussen enerzijds de vraag van de instelling en van de overheid wat er met het geld gebeurt en anderzijds de vraag van een lid van de club om een activiteit te doen.  Er is geen rechtstreekse controle door de instelling op de efficiëntie van het geldverbruik.  Het is niet transparant.  “ Transparant maken –een technocratische misdaad -, zegt Jean Oury in ‘L’aliénation ‘ (p.53) , is de ‘functie-van-het-geheime’ verkrachten, het subject wordt dan een ontwrichte marionette, zonder structuur. “

Kan men zeggen ‘asiel geven’ zoals men zegt dat een boom schaduw geeft, vraagt Fernand Deligny dus.  Hij geeft ons hiermee een poëtisch- politiek beeld vol contrasten.  Het door de bladeren gefilterd zonlicht in de schaduw van onze boom, in de marge van het bos, contrasteert absoluut met het asiel zoals we dat in ons werk, maar ook in ons dagelijks leven kennen.

Maar misschien is dit beeld toch te romantisch.  Vaak heeft onze asielboom niet zó veel bladeren, geeft hij veel minder schaduw, is er veel minder houvast.  De wereld van onze mensen is soms zo vernietigd, zo breekbaar en onbereikbaar dat contact heel moeilijk wordt.  De maatschappelijke en politieke context is ook zo georganiseerd rond het heldere, strakke en transparante licht van de hygiëne, de veiligheid en de economische efficiëntie, dat die kwetsbare ‘stekskes’ van onze bewoners heel rap teloor gaan.  Het is in dit spanningsveld dat de club, in de marge dus van alle gangbare en heersende modellen, werkzaam probeert te zijn op onze instelling, om haar te verzorgen.  Kan de club, in deze wereld van verlangen, ontvleesd tot op het bot, een asielboom zijn?

Een tiental jaar geleden speelde het toneelatelier van Albe ‘Wachten op Godot’ van Samuel Beckett.

Een weg op het platteland, met  boom.

Estragon: Een heerlijk plekje. Behoorlijk uitzicht. Laten we gaan.
Vladimir: We kunnen niet.
Estragon: Waarom niet?
Vladimir: We wachten op Godot.
Estragon: Dat is waar. (Pauze) Weet je zeker dat het hier is?
Vladimir: Wat?
Estragon: Waar we moeten wachten.
Vladimir: Hij heeft gezegd voor de boom.
(Ze kijken naar de boom.)
Vladimir: Zie jij nog andere?
Estragon: Wat is het?
Vladimir: Je zou zeggen een treurwilg.
Estragon: Waar zijn de bladeren?
Vladimir: Hij is zeker dood.
Estragon: Uitgetreurd.
Vladimir: Of is het het seizoen niet.
Estragon: Zou het geen heester zijn?
Vladimir: Een struik.
Estragon: Een heester.
Vladimir Een… (hij bezint zich) Wat wil je eigenlijk beweren? Dat we ons in de plaats vergist hebben?

Hij heeft heel de voormiddag, soms tot na de middag, soms langer, nodig om er te geraken, als het lukt.  Geleidelijk aan verzamelt hij zichzelf door zijn gerief te verzamelen: zijn boeken, muziek, sigaretten en pijp, zijn boekentassen.  Dan gaat hij naar beneden met zijn boekentassen, of eigenlijk omgekeerd, gaan zijn boekentassen naar beneden met hem.  Hij zet zich neer op de grond, midden in de living van het kasteel van Albe, maar toch in de marge… een marge binnenin.  De boekentassen gaan open, de boeken worden opengelegd, radio aan, muziek aan, pijp aan, … in een wereld ver weg van Albe, een wereld van dode dieren en met uitsterven bedreigde of uitgestorven diersoorten, moeilijk bereikbaar, steeds klaar om te vluchten,  altijd ‘elders’.  Soms komt hij even te voorschijn.  Zo komt hij weken aan een stuk vragen, elke week opnieuw, of we woensdag naar de bibliotheek kunnen gaan om een boek te gaan kopiëren.  Ben ik dan met de auto? Ja. Heeft hij geld? Ja.  Oké, en dan gaat hij voort, om de week erna hetzelfde te vragen, zonder er te kunnen geraken, tenzij misschien…?  Hij blijft aan de rand van het gebeuren staan, maar het gebeuren moet blijven draaien.  Bijna wekelijks vraagt hij om naar een rommelmarkt te gaan, het wordt regelmatig georganiseerd, het busje gereserveerd, de inschrijvingen genoteerd, maar op het laatste moment haakt hij vaak af.  Ondertussen ontstaat er toch een ‘stekske’, in het midden van het kasteel, maar toch in de marge, met as op de grond, koffie- en theeplekken, etensresten, …

Een weg op het platteland, met boom.

Vladimir: Wat zullen we nu doen?
Estragon: We wachten.
Vladimir: Ja, maar terwijl we wachten.
Estragon: Als we ons eens ophingen?
Vladimir: Het is een manier om klaar te komen.
Estragon: Kom je daarbij klaar?
Vladimir: Met alles wat eruit volgt.  Daar waar het  valt, groeien alruinwortels.  Daarom schreeuwen ze als je ze uittrekt. Wist je dat niet?
Estragon: Laten we ons dan meteen ophangen.
Vladimir: Aan een tak?
(Ze gaan naar de boom toe, bekijken hem)
Vladimir: Ik heb er geen vertrouwen in.
Estragon: We kunnen altijd proberen.
Vladimir: Probeer jij het.
Estragon: Na jou.
Vladimir: Nee, jij eerst

De club is dus niet “alle macht aan de bewoners”, het is geen “syndicaat van de gebruikers”.  Dat verschil tussen bewoners en personeel wordt trouwens bevraagd.  Is het verschil tussen beide dan niet duidelijk en blijvend ?  De enen worden betaald om te zorgen voor de anderen. Simpel ! En toch gaat de club ook dit onderscheid bevragen, in de eerste plaats door ook aan het personeel te vragen wat ze graag zouden doen, welk atelier hen boeit, … en zich dus bloot te geven, los van hun diploma of functie, zodat een ont-moeting mogelijk wordt: we ont-moeten de bewoner in de club niet omdat we vanuit onze functie voor hen moeten zorgen, maar omdat we samen iets graag doen, een zekere interesse delen, … en er plezier aan beleven, we worden een beetje losgemaakt van onze functie en van ons diploma.

Vroeger waren er in Albe verkiezingen waarbij het bestuur en de voorzitter van de club verkozen werden door de andere bewoners.  Nu gebeurt dit niet meer, en is er zelfs geen clubbestuur meer.  Toch is het belangrijk dat de voorzitter van de club een bewoner is.  Dit is immers een symbool, in de sterke betekenis van het woord, namelijk dat het ertoe doet, iets bewerkt, het brengt iets in beweging in de instelling.

Is alles van de instelling dan verkeerd?  Natuurlijk niet.  Uiteindelijk wordt deze toch betaald om zo goed mogelijk te zorgen voor de bewoners.  Nagaan of dat geld zo goed mogelijk wordt besteed is dan toch terecht en kan die zorg alleen maar ten goede komen?  Misschien.  Maar in zijn zorgvraag wordt de bewoner volledig afhankelijk van de zorgverstrekker en de instelling.  De club creëert in zijn weerstand hiertegen juist een marge die de bewoner toelaat uit de afhankelijkheid te komen, zich los te maken van de zorgvraag.  De club ontvreemdt zo de bewoner en zijn begeleider uit hun statuut van ‘zorgbehoevende’ of ‘zorgverstrekker’.
Op deze manier ontstaat er een ruimte die toelaat samen het dagelijks leven te delen en elkaar daarin te ont-moeten.  Het woordje ontmoeten zegt het echter: dat samen delen is geen kwestie van moeten, koste wat het kost, het is geen absoluut ideaal: vaak kunnen onze mensen immers niet samen-zijn, niet delen en zijn ze te fragiel en verbrokkeld.  Vandaar het belang van die marge zodat ze ook op de rand van dat dagelijks leven, in de marge van die clubactiviteiten kunnen verblijven…

Hoe gaan we de cluburen dan organiseren?  Zetten we de clubactiviteiten in een uurrooster, naast de permanenties, of niet ?

De logica van de permanenties en van ateliers is in elk geval verschillend.  Ook al is de zorg in Albe niet strikt medisch, zoals in een kliniek, toch gaat het ook hier om een zorg die permanent gegarandeerd moet worden: het eten, het slapen, de verzorgingen in de ruime zin van het woord.  De instelling moet hier garant voor staan en het estafettestokje van die zorg moet continu aan elkaar doorgegeven worden.
Bij de clubactiviteiten, de ateliers gaat het om een andere logica: daar wordt een zekere ruimte gecreëerd die een ‘vrije’ keuze toelaat, een al dan niet deelnemen, een zeker toeval kan meespelen, een eigen ‘vrije’ verantwoordelijkheid kan worden genomen.

Waar eerst in Albe de ateliers mee in de uurroosters werden georganiseerd, en ook samen met de permanenties door de uurroostergroep werden beheerd, is er een periode geweest waarin beide volledig losgekoppeld werden: er waren de uurroosters voor de permanenties, en daarnaast, en niet ingevuld op de uurrooster, waren er de atliers die door de club werden georganiseerd.  De overheid en de instelling vragen echter een overzicht van,  een controle op de uren.  Trouwens, het is niet omdat een atelier een andere logica heeft dan een permanentie dat het al dan niet doorgaan van een atelier zomaar vrijblijvend is.  Ateliers kunnen van vitaal belang zijn voor bewoners, maar:

  • het kan niet zijn dat we op een bepaalde dag niet voor eten zorgen/ dat er ’s nachts niemand aanwezig is/ dat er geen medicatie wordt gegeven/ enzovoort.
  • het kan wel dat iemand niet deelneemt aan een atelier waar hij zelf voor gekozen heeft, of dat op een bepaalde dag geen ateliers doorgaan, zodat er verveling kan optreden, die dan weer bron kan worden van nieuwe ideeën, …

In principe komen de cluburen dus niet in de uurrooster, maar riskeren we dan geen misbruik (mensen die hun uren niet doen, of zich niet engageren in de club, …) en moet de directie niet van het syndicaat aangeven wat ze van haar personeel verwacht, op welke uren ze moeten werken en wat ze dan moeten doen ? Of camoufleren we hiermee onze eigen schrik voor de ‘vrijheid van keuze’ die de club met zich meebrengt, de vrijheid om zich te engageren en verantwoordelijkheid te nemen…? Zonder die vrijheid is echt engagement niet mogelijk, met die vrijheid komt de mogelijkheid van misbruik om de hoek kijken.

Is het dan juist die vrijheid die het zo moeilijk maakt om het personeel bij de clubwerking te betrekken?  De angst voor het zelf kunnen nemen van beslissingen, voor engagement, voor het vrij op kunnen nemen van eigen verantwoordelijkheid?  De club verplicht ons om ons bloot te geven, en daarmee ook een stuk ‘harnas’ af te leggen en een eigen fragiliteit te voorschijn te laten komen: durf ik wel op een podium te staan, doe ik het goed, zal ik gestoken worden, …

Trouwens, dat het gaat om een ‘vrije’ keuze, wil niet zeggen dat het ‘n ‘importe quoi’ kan zijn.  In het comité gebeurt in Albe een overleg tussen de club en de instelling, waar goederen (uren, ruimte en tijd)  verdeeld worden over de club en Albe, en daarmee ook de verantwoordelijkheid en zorg hiervoor.  Dit comité bestaat uit bewoners en personeel, ook de directie, die de club en de instelling vertegenwoordigen.  Maar wie vertegenwoordigt wie nu?  De bewoners vertegenwoordigen de club, maar toch ook de instelling, want zij zijn er gebruikers van, en het personeel en de directie vertegenwoordigt de instelling, maar ook de club, ook de directeur doet een atelier, en gaat mee op vakantie, wie is wie nu?

Een weg op het platteland. Met boom.

Vladimir: Wat zei ik ook weer?  We zouden vandaar af weer kunnen beginnen.
Estragon: Vanwaar af?
Vladimir: Helemaal van het begin.
Estragon: Van het begin waarvan?
Vladimir: Vanavond.  Ik zei…ik zei…
Estragon: Nee zeg, nu verlang je te veel van me.
Vladimir: Een ogenblik… we hebben elkaar omhelsd… we waren tevreden… wat doen we nu we tevreden zijn… we wachten… een ogenblik… het komt… we wachten… nu we tevreden zijn… we wachten… een ogenblik… Ah! De boom!
Estragon: De boom?
Vladimir: Kun je je niet meer herinneren?
Estragon: Ik ben moe.
Vladimir: Kijk naar hem.
(Estragon kijkt naar de boom)
Estragon: Ik zie niets.
Vladimir: Maar gisterenavond was hij nog helemaal kaal en zwart!  Vandaag is hij vol bladeren.
Estragon: Bladeren?
Vladimir: In een enkele nacht.
Estragon: ’t is zeker voorjaar.
Vladimer: Maar in één enkele nacht!

De club blijft natuurlijk ook functioneren binnen een ruimere instelling met zijn eigen geschiedenis en geschiedenissen.  Voor er een clubbestuur en een clubvergadering was, waren er al toneelopvoeringen, muziekoptredens, tentoonstellingen van het tekenatelier.  Ook die zijn met veel gezwoeg en energie opgestart.  Voor het clubbestuur en de clubvergadering, was er al  club.  En toch is het belangrijk dat er een clubbestuur en een clubvergadering is gekomen.  En toch is het belangrijk dat de voorzitter van de club een bewoner is.  Kunnen we het echt niet bij het oude laten?  Het clubsecretariaat altijd in hetzelfde gebouw laten doorgaan?  De clubvergadering altijd door dezelfde persoon laten voorzitten?  Ja, dat kunnen we, maar we doen het niet.  De club valt niet samen met een bepaalde plaats, de club valt niet samen met een bepaalde persoon of groep van personen, de club valt niet samen met een bepaalde tijd (wel of niet clubactiviteiten in het weekend of ’s avonds.)

De club blijft stoorzender in de goede orde van onze modellen, of het nu een therapeutisch model is in een kliniek (kooktherapie, creatieve therapie, ergotherapie,…), een opvoedingsmodel in een bezigheidshome voor mentaalgehandicapten of het model van het kwaliteitsdecreet dat met zijn harde, transparante licht  de kwaliteit van onze zorg wil ‘optimaliseren’. De club zal pas club zijn als hij hier weerstand aan blijft bieden, telkens opnieuw,  en dus marginaal blijven, ‘outlaw’ van onze modellen van de goede orde. Hij doet ons dus worstelen met onszelf en met elkaar.

Haar haren rood,

Bebloemd met blauw

Ze is in nood,

De tovervrouw   Zwevend

Kijkt ze me aan

Onbegrijpbaar staat ze daar

Haar lippen koraalrood,

Haren lang

Tovervrouw staar

Me zo niet aan

Want…ik word bang !!!

We worden ont-zet uit ons gekende zelf  naar het vreemde andere en herkennen onszelf  tegelijk in die andere. Enkel daar,  waar de club de aliënerende effecten van de instelling en van de modellen die er opgang maken zodanig bewerkt dat er terug ruimte komt voor het  eigen-aardige, wat eigen is aan onze aard en tegelijk eigenaardig, vreemd, anders,  enkel daar kan onze club een asielboom zijn.

Woorden, woorden , woorden,… We discuteren, maar willen beslissen. Eens we beslist hebben, willen we terug discuteren. We zwoegen, trekken en sleuren en raken ontgoocheld, in onszelf, in onze idealen, in de ander. Wie neemt de beslissingen ? Wie is de baas ? We doen voort , maar willen eigenlijk stoppen, om dan toch voort te gaan. We zijn leeg. Maar daar doorheen ontstaat  een schilderij, een toneelstuk, een foto … nieuw, raken we ontroerd en bewogen, ontstaat een brug naar …? We gaan voort, doorheen de machtsverhoudingen, de conflicten, de splitsingen tussen groepkes, de rivaliteiten en jaloezieën. We  geven het estafettestokje aan elkaar door. We stoppen niet.

 Een weg op het platteland, met boom.

Estragon: Didi!
Vladimir: Ja.
Estragon: Ik kan zo niet verder gaan.
Vladimir: Dat zeg je zo.
Estragon: Als we eens uit elkaar gingen?  Misschien gaat het dan beter.
Vladimir: Morgen hangen we ons op. (Pauze)  Of Godot moet komen.
Estragon: En als hij komt?
Vladimir: Dan zijn we gered.
Estragon: Zullen we dan maar gaan.
Vladimir: Je moet je broek optrekken.
Estragon: Wat zeg je?
Vladimir: Je moet je broek optrekken.
Estragon: Mijn broek uittrekken?
Vladimir: Op-trekken!
Estragon: O ja. (Hij trekt zijn broek op.)
Vladimer: Zullen we dan maar gaan?
Estragon Laten we gaan.
(Ze gaan niet van hun plaats)

Steven Delafortrie