Een ruiker rozen

ZORG DRAGEN IN ALBE : EEN RUIKER ROZEN

Albe krijgt subsidiëring en erkenning als bezigheidshome voor mentaal gehandicapten die niet kunnen gaan werken (‘tehuis niet-werkenden’). De bewoners moeten dan ook een erkenning hebben van die mentale handicap en van het onvermogen om door middel van werk zelf geld te verdienen. Enkel de bewoners van ‘beschermd wonen’ mogen geld verdienen. In het bijzonder staat Albe erom bekend mensen met bijkomende psychiatrische problemen op te nemen. Als dusdanig zou Albe dus een definitieve verblijfplaats kunnen zijn van een groep mensen die, omwille van de combinatie van een mentale handicap en een psychiatrische problematiek, zelf niet meer in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De instelling en de bewoners krijgen dan ook geld van de overheid waarmee de noodzakelijke zorg (voeding, onderdak, kledij, veiligheid,…) kan worden verzekerd en waarmee de bewoners zinvol beziggehouden kunnen worden (of zichzelf zinvol bezig kunnen houden).

Tegelijk zijn de bewoners, in het bijzonder de meest fragiele , echter grotendeels afhankelijk van de instelling en van de structuren van de maatschappij die de zorg voor hen organiseert en betaalt. Ze blijven grotendeels overgeleverd aan die anderen die voor hen moeten zorgen en aan de structuren waarbinnen deze werken. De mogelijkheid om zelf beslissingen te nemen, zelf keuzes te maken, eventueel foute, en daar verantwoording voor af te moeten leggen, wordt zo wel erg beperkt. Zelf vorm geven aan het eigen leven, met alle onzekerheid en angst vandien, maar ook zelfrespect en plezier, wordt wel erg moeilijk. De zorg en verantwoordelijkheid voor de bewoner dringt door tot in de kleine details van het dagelijkse leven: eten, drinken, slapen, kledij, kamer,… Ook het weten over de bewoner, over zijn familie, zijn geschiedenis, zijn kunnen,… dringt door tot diep in het eigen verhaal en ‘lijf’. Wat blijft er ongeweten, ongezien, niet-transparant…?

In zijn verslag dat we bij aankomst meekregen, staat maand per maand beschreven, gedetailleerd, hoe hij wel of niet in bad wil, mensen al dan niet aankijkt, plafonneert, in zijn neus peutert en ‘bollekes draait’…

Diagnose: mentale handicap, schizofrenie, autisme.

‘Objectief’. Definitief.

Hoe moeten we dat pakje, dat de toekomstige bewoner is, met zijn medicatiefiche, zijn medische en andere verslagen, zijn plaats in zijn familie,… ontvangen opdat het vervreemdende effect zoveel mogelijk teniet kan worden gedaan van zijn statuut als mentaal gehandicapte met een zekere psychiatrische diagnose en van de hele ‘zorgstructuur’ errond (de voorzieningen, de statuten van de mensen die er werken, de geplogenheden van de instellingen,…).

 

En toen verscheen de vos :

 

  • Goedendag , zei de vos.
  • Goedendag , antwoordde de kleine prins beleefd. Hij keek om , maar zag niets.
  • Ik ben hier , zei de stem , onder de appelboom …
  • Wie ben jij ? vroeg de kleine prins. Je bent erg leuk …
  • Ik ben een vos , sprak de vos.
  • Kom met me spelen , stelde de kleine prins hem voor , ik ben zo verdrietig…
  • Ik kan niet met je spelen , zei de vos, ik ben niet ‘apprivoisé’.
  • Ach , neem me niet kwalijk , zei de kleine prins.

 

Maar na even nadenken , voegde hij eraan toe :

 

  • Wat betekent dat , ‘apprivoisé’ ?
  • Dat wordt maar al te vaak vergeten , zei de vos. ‘Apprivoiser’ betekent het scheppen van een band.

 

(De kleine prins , p.67-68)

 

  1. Reeds van bij het begin, eind jaren veertig, begin jaren vijftig, maakt Jean Oury onderscheid tussen een sociale vervreemding en een psychopathologische vervreemding (psychiatrie et Ψotherie instit. pp. 23-34; l’Aliénation, pp. 155 e.v.). het gaat daarbij om het onderscheid tussen enerzijds de vervreemding die uitgaat van de structuren die in onze maatschappij gelden, en anderzijds de eigenlijke psychopathologische vervreemding eigen aan ons menselijk bestaan als zodanig. De institutionele psychotherapie helpt ons met de ontwikkeling van begrippen die toelaten die vastgelopen structuren, dat afgewerkte ‘pakje’ dat de bewoner is als hij bij ons aankomt, terug in beweging te brengen, zodat de wezenlijke beproevingen van ons bestaan als mens, en hoe hij of zij daarin vastloopt, terug tevoorschijn kunnen komen.

 

Opruimen, poetsen, vuile kleren verzamelen en wassen; koken en samen eten; mensen oproepen en te slapen leggen; baden geven; iemand wegbrengen, gaan halen of ontvangen; boodschappen doen; handen, huid en voeten verzorgen; een kast opruimen,… het zijn allemaal niet alleen taken, maar ook handelingen die de toon zetten van de stemming of sfeer, die ‘de temperatuur meten’ van het dagelijks leven, handelingen die aan iemands ‘vel’ raken.

 

We werken niet in shiften van tien vroeges of lates achter mekaar, we beginnen niet elke dag op hetzelfde uur. Door mee te draaien in de weekends, door de ene dag ’s morgens de andere ’s avonds en nog een andere ’s middags te beginnen; door ons niet te vereenzelvigen met ons diploma of statuut, maar te wisselen van rol en functie; door niet steeds op dezelfde plaats te werken, maar soms in een atelier, soms in het huis, dan weer in het kasteel, daardoor moeten we wel de toon of sfeer van een moment of plaats aftasten.

 

We kiezen voor heterogeniteit. Om dat etiket van mentaal gehandicapte met psychiatrische problemen te doorbreken, om dat pakje te openen en de eigen aard van een bewoner te voorschijn te laten komen, kiezen we voor bewoners met een verschillende achtergrond, een verschillende psychiatrische problematiek, van verschillende leeftijd en geslacht. Enkel tegen de achtergrond van dat verschil kan de eigen aard zich gaan onderscheiden. We kiezen voor heterogeniteit van plaatsen: van bij het begin in Kapellen is er gekozen om niet met kleine leefgroepen te werken, maar in een groter geheel met verschillende woonstijlen. De stijl van wonen in het kasteel verschilt van die in het huis, of beschermd wonen. De ambiance van de schuur is anders dan die van het arkgebouw. de ateliers verschillen van elkaar in sfeer: breien, recyclagepark, voetbal, tekenen, toneel,… hebben elk hun eigen toonzetting. Enkel dan wordt vrije circulatie mogelijk en zinvol en kan in het eigen spoor dat iemand nalaat of trekt tussen de verschillende plaatsen of op de rand ervan, zijn eigen verschillende aard tevoorschijn komen. Pas dan is een heen en weer, een komen en gaan mogelijk en stelt zich de vraag van aankomen en vertrekken.

 

Maar dan loopt het vast, telkens weer, en dreigt alles te verworden tot een amorfe, homogene massa. Alle vragen herleiden zich tot vragen om eten, koffie, cola, snoep, thee, koeken en sigaretten – en tot vragen om verzorging van allerlei lichamelijke kwaaltjes. Waar we ook komen en wie ons ook moge aanspreken, overal krijgen we dezelfde vragen en klachten. En in plaats van het begin van een ontmoeting en het begin van een samen op stap gaan, wordt de uitroep ‘Steven, kom eens’ de dooddoener van elk contact en van elk kunnen, mogen of willen samen op weg gaan. En dan beginnen we opnieuw, moeten we opnieuw beginnen bij het allereerste begin, om terug verschil aan te brengen tussen de ruimtes, om daar terug een komen en gaan tussen te bewerkstelligen, en terug de mogelijkheid te creëren om te kiezen, op pad te gaan, op eigen-aardige manier zijn spoor te trekken door het collectief. We kunnen, mogen niet stoppen met telkens weer opnieuw te beginnen bij het begin, zodat wij ontvankelijk kunnen blijven voor wat zich aandient.

 

 

‘De vos zweeg en bekeek de kleine prins langdurig :

 

  • Alsjeblieft … ‘apprivoiseer’ mij ! sprak hij.
  • Dat wil ik best , antwoordde de kleine prins , maar ik heb niet veel tijd. Ik moet vrienden ontdekken en heel veel dingen leren kennen.
  • Je kent alleen de dingen die je ‘geapprivoiseerd’ hebt , zei de kleine vos.
  • Wat moet ik doen ? vroeg de kleine prins.
  • Je moet erg veel geduld hebben , antwoordde de vos. Je gaat eerst een beetje bij mij vandaan zitten in het gras , zoals nu. Dan bekijk ik je uit een ooghoek en jij zegt niets. Taal is alleen een bron van misverstanden. Maar elke dag kun je een beetje dichterbij komen zitten …

 

De volgende dag kwam de kleine prins terug.

 

  • Je had beter op dezelfde tijd kunnen terugkomen , zei de vos. Als je bij voorbeeld om vier uur ’s middags komt , begin ik om drie uur al gelukkig te worden. Hoe meer het tijdstip dan dichter bij komt , des te gelukkiger ik word. Om vier uur ben ik dan al opgewonden en ongerust , zo leer ik de prijs van het geluk kennen ! Maar als je op een willekeurig moment komt , weet ik nooit wanneer mij het hart aan te kleden… Men heeft rituelen nodig.’

 

 

  1. Zoals in het leven, zo ook in de psychiatrie, elke keer opnieuw begint alles, en moet of zou alles moeten herbeginnen met een probleem van de stemming en haar mogelijke verstoringen. Dit is de stelling die wijlen Dr. Jacques Schotte in 1982 in één van zijn belangrijkste teksten uitwerkt: de stemming en haar mogelijke verstoringen als basis van ons bestaan: het contact (cfr. Schotte, J., Comme dans la vie…, 1982).

 

Voorafgaand aan de doelen die we ons stellen, de verantwoordingen die we moeten afleggen, de persoon die we zijn of willen zijn, is er de basale overgang naar de overkant: van dag naar nacht, van zomer naar winter, van leven naar dood, van hier naar ginder,… Hoe en of we deze overgang kunnen maken, geeft de toon aan van onze aanwezigheid aan de wereld, waarin onze vitale ritmes (slapen, waken, eten, drinken, ontlasten,…) al dan niet afgestemd raken op de ritmes van de wereld die ons omringt. Hier ontstaat een eerste draagvlak waarop we kunnen komen en gaan, ons houden, al dan niet in overeenstemming met de bewegingen van de wereld. (cfr. Lekeuche, P.: Institutions n°42, Le contact,… en Mélon, J., Dialectiques des pulsions pp. 91-102).

 

Voorafgaand aan alle emoties, oorzaken, verhalen, verantwoordingen, doelen en objectiveringen is dit de basis van ons bestaan, basis die nooit af is of gegeven. Heel de tijd door is er die beproeving, die te leveren arbeid: ons af te stemmen op de toon van het landschap waarin we ons bewegen en zo mee die toon te zetten, ons af te stemmen, telkens weer, zoals men een instrument stemt, op de toon van een ambiance.

 

De basis van ons bestaan wordt gelegd in het contact: in de overgang van gedragen worden naar zich dragen (‘se porter’, hoe het ermee gaat), in de overgang van gehouden worden naar zich houden (‘se tenir’). Het is zo dat een eerste integriteit, een eerste afgrenzing van onszelf gevormd en beproefd wordt; een soort van membraan, een eerste omwikkeling (‘enveloppement’) van onszelf waar doorheen de uitwisselingen tussen het individu en zijn omgeving worden gefilterd; een eerste zelf. (cfr. Lekeuche, P., Institutions n° 42, p. 55) Telkens weer wordt dit membraan, deze filter, beproefd en gevormd doorheen de stemming. Telkens weer proberen we ons in harmonie af te stemmen op de prikkels die op ons afkomen, zowel van buitenaf als van binnenuit (honger, dorst, pijn, zuchtigheid): word ik overweldigd door die prikkels, zuig ik me er mee vol, blijf ik plakken of vlieg ik erlangs?… Het is mijn ‘vel’ dat hier beproefd wordt, hoe ik me in mijn ‘vel’ voel.

 

Tastend meten we de temperatuur van iemands aanwezigheid en zoeken we nabijheid tot die ander die asiel zoekt in ‘de schaduw van zijn boom’, tast ik af hoe hij zich in zijn ‘vel’ voelt. Heeft hij het warm of koud, is het water van het bad warm genoeg, is zij moe of klaarwakker, kan hij me aankijken, loopt hij recht, kan hij gaan zitten, dreigt zij telkens weer te vallen,…? Van bij het begin en telkens opnieuw is dat de basis van onze aanwezigheid bij de ander en in de wereld.

 

 

“Aldus ‘apprivoiseerde’ de kleine prins de vos. En als het uur van vertrek nabij was:

– V:      Ah! Ik zal wenen.

– KP:   Dat is jouw fout, ik wenste je geen kwaad toe, maar je hebt                                     gewild dat ik je ‘apprivoiseerde’.

– V:      Natuurlijk. Ga terug kijken naar de rozen. Je zal begrijpen dat de                           jouwe uniek is in de wereld.

 

De kleine prins ging terug naar de rozen kijken.

 

– KP:   Jullie lijken helemaal niet op mijn roos, jullie zijn nog niets. Jullie                         zijn mooi maar jullie zijn leeg. Natuurlijk zou een gewone                                            voorbijganger denken dat mijn roos op jullie lijkt. Maar op zich                            alleen is ze belangrijker dan jullie allen, vermits zij het is die ik                          met een windscherm beschermd heb, vermits zij het is die ik heb                          horen klagen, of opscheppen, of zelfs soms zwijgen. Vermits het                          mijn roos is.”

 

 

  1. Bij de kleine prins, één van de eerste toneelstukken van het toneelatelier van Albe, is de roos daar duidelijk aanwezig in haar landschap. Ze staat er in al haar statigheid te pronken, een beetje verwaand, en de vraag is ‘hoe kan ik uniek zijn voor de ander’. Ze is het beginpunt en het eindpunt van heel de reis van de kleine prins. Maar ‘de rozen’ waar wij voor moeten zorgen in ons werk, zijn helemaal niet zo vanzelfsprekend. In welk landschap bevinden zij zich? Kan, mag ik wel voor hen zorgen? Kunnen zij er voor iemand zijn, of wij voor hen?

 

Hij heeft zijn vaste zetel in de ‘living’ in het kasteel, zijn vaste plaats in de eetzaal, zijn vaste rituelen rond opstaan, eten, rusten, tanden poetsen en gaan slapen. Die rituelen zijn als het ware een soort van ‘enveloppe’ waardoor hij er kan zijn, bijeen gehouden wordt. Begeeft hij zich naar buiten, dan pakt hij zich in in zijn jas, en zo bijeengepakt heeft hij ook daar zijn vaste rituelen: zijn vaste zetel in ‘de ark’, zijn plekje in de bus bij het ophalen van oud papier, zijn gewoontes als het markt is. Hij verplaatst zich, gesloten in zijn jas, van de ene plaats naar de andere, of laat zich verplaatsen. Maar als hij zich moet openen voor de ander, als hij echt tevoorschijn komt en helder begint te spreken, is de catastrofe nabij. Hij ging mee naar een interclubdag in Brussel; veel volk op een kleine ruimte. In Albe ontketent zich een immens, wild geweld. Hij ging mee naar de zoo; massaal veel volk; op de terugweg ontketent zich hetzelfde geweld. Hij gaat zoals elke week naar de markt, waar onverwacht heel veel volk is, ’t was mooi weer. Stofstijf moeten we hem met het busje terughalen. Hij gaat mee op café; er komt een zwarte binnen en de catastrofe kondigt zich aan in een crisis; we keren terug naar Albe. De ander als echt anders, ongekend, vreemd, is bedreigend, vernietigend. De stukken en brokken van zijn lijf vallen uiteen en hij poogt krampachtig die stukken en brokken samen te houden in geritualiseerde handelingen, obsessioneel-repetitieve vragen, of zelfs een volledige verstijving waarin hij poogt het geweld dat zich in zijn lijf ontketent, bijeen te houden. Hij is niet voldoende gesloten om zich te kunnen openen. Kunnen we een opening naar de ander enten, zodat hij zich beter zal kunnen sluiten?

 

Ze waren bloemen aan het plukken in de tuin om de tafel mee op te fleuren. Plots begint ze te spreken over bloemen voor het kerkhof…

Ze heeft een bronchitis, komt plots voor me staan en zegt: ‘ik voel me als een gesloten doos en de leegte loopt weg langs mijn voeten.’

In het kleiatelier maakte ze doodskistjes voor de kinderen. Maakte ze een schilderij in het tekenatelier, dan wilde ze het zwart maken.

Mag ze, kan ze bestaan voor de ander?

 

Eerder dan in een spel van verleiding te pogen die ander te ‘apprivoiser’, er vat of greep op te krijgen, moeten we eerst en vooral pogen doorheen het werk van de club op de instelling, en doorheen een bevraging van onszelf, onze vooroordelen, onze routines, ons werk,… om ons voldoende vrij en leeg te maken om ontvankelijk te worden voor de sporen en indrukken die iemand nalaat. Apprivoiser wordt ont-vangen: wat zich ook aandient, welke sporen iemand ook moge nalaten, we moeten proberen hem te ont-vangen. We pogen iemand niet te vangen in een woord, klasse, etiket of beeld; we vangen hem dan niet voor een bepaalde taak (spreken, eten, koken, afwassen,…), maar laten hem in zijn eigen-aardigheid aankomen, verrassend, nieuw, onverwacht. Kunnen wij onszelf en onze vooroordelen, onze vastgeroeste gewoontes en routines, voldoende bevragen, kunnen wij onszelf voldoende leegmaken om die psychotische ander in al zijn vreemdheid te ontvangen?

 

 

“Hij was moe. Hij zette zich neer. Ik zette me bij hem neer. En, na een stilte, zei hij nog:

 

-de sterren zijn mooi, omwille van een bloem die men niet ziet…

 

Ik antwoordde “natuurlijk” en bekeek, zonder te spreken, de plooien van het zand onder de maan.

 

-de woestijn is mooi, voegde hij eraan toe…

 

En dat was waar. Ik heb altijd gehouden van de woestijn. Men zet zich neer op een zandduin. Men ziet niets. Men hoort niets. En toch straalt er iets in stilte…

 

-wat de woestijn mooier maakt, zei de kleine prins, is dat hij ergens een waterput verbergt…

 

Daar de kleine prins in slaap viel, nam ik hem in mijn armen en zette me weer op weg. Ik was ontroerd. Het leek me dat ik een breekbare schat droeg. Het leek me zelfs dat er niets breekbaarders was op de aarde. Ik keek, bij het licht van de maan, naar dit bleke voorhoofd, die gesloten ogen, die haarlokken die beefden door de wind, en ik zei me: wat ik daar zie, is slechts een schors. Het belangrijkste is onzichtbaar…

 

Daar zijn geopende lippen een halve glimlach schetsten, zei ik nog tot mezelf: “wat me het meest ontroert bij deze ingeslapen kleine prins, is zijn trouw aan een bloem, is het beeld van een roos die in hem straalt zoals de vlam van een lamp, zelfs als hij slaapt…” En ik vermoedde hem nog breekbaarder.

 

En zo, stappend, ontdekte ik de waterput bij het ochtendgloren.”

 

  1. Gisela Pankow, een Duitse psychoanalyste die zich in Frankrijk had gevestigd, spreekt in haar individuele werk met psychotische patiënten van een ‘greffe de transfert’, het enten van een overdracht. Ze poogt doorheen een lichamelijke uitwisseling, het maken van een tekening of kleiwerk, een stuk bewoonbare wereld te enten in de vernietigde wereld van de psychose. Het woordje ‘greffe’ komt van het enten van een gezond stuk huid ter vervanging van huid die door zware brandwonden is vernietigd. ‘Enten’ komt oorspronkelijk uit de plantenwereld: het enten van een stam van een fruitboom of rozenstruik op een andere wortel om een beter, vruchtbaarder resultaat te krijgen. Beide beelden kunnen we in ons werk gebruiken. Kunnen we in de vernietigde wereld van de psychose een stukje terrein enten waar uitwisseling met de ander mogelijk wordt? Kunnen we op dat ‘vel’ dat de prikkels van buiten niet goed filtert, binnen en buiten niet goed begrenst, niet bijeen houdt, kunnen we daar een ander stuk ‘vel’ op enten, via een uitwisseling waardoor ‘zich-openen-voor-de-ander’ mogelijk wordt?

 

Heel Albe, heel de instelling, bewerkt door de club, kan die functie van de boetseerklei bij Pankow overnemen: klei, tekenpapier, schilderdoeken, toneel,… maar ook breiwerk, recyclagemateriaal, bijen, afwassen, koken, enz… Het materiaal wordt zo drager van sporen en indrukken uit de leefwereld van de bewoner, maar dus ook het schema dat we met een bewoner maken, zijn agenda, zijn schetsboekje, spaarkistje, zijn fiets, het busje van Albe, zijn kleren,… In al die gevallen krijgen we telkens de mogelijkheid om een overdracht te enten, dat wil zeggen dat iets van de wereld van de bewoner in de wereld van de instelling mag bestaan voor een ander, niet om die te interpreteren maar om er te kunnen zijn en toe te laten dat het verlangen zich gaat incarneren, vorm krijgt in een uitwisseling met anderen.

 

Elk van die geënte stukjes terrein worden dan verzameld in de constellatie [1]. Deze constellatie wordt gevormd door die mensen die van belang zijn voor een bepaalde bewoner, en wiens afwezigheid gevoeld wordt als een gemis. Ze zijn één voor één drager van belangrijke betekenaars: een bepaald atelier, medische verzorging, een contactpunt met de familie, iemand financiële medebeheerder, enz… Waar iedereen zulke belangrijke figuren in zijn leven heeft die zijn leven bepalen, slagen deze bewoners er echter niet in deze te blijven onderscheiden en bijeenhouden. Het is dan aan de constellatievergadering bestaande uit verschillende ‘sterren’ die een overdracht geënt hebben (cfr. Freek D’Hooghe) en drager zijn van zulke betekenaars om zich te verzamelen, met elkaar te praten en alert te blijven: interpuncties geven aan iemand, bestaan en het belang van bepaalde gebeurtenissen of handelingen bewaken. Slagen ze er niet in om samen te komen en te praten, dan zal dit vaak nefaste gevolgen hebben voor de bewoner in kwestie. Het gaat er daarbij ook niet om beslissingen te nemen, het is geen mini-team, maar om te verzamelen, bijeen te houden, de heterogeniteit te bewaken, alert te blijven .

 

  • Wat echt belangrijk is , kun je niet zien…Het is net als met de bloem. Als je van een bloem houdt die op een ster groeit , is het heerlijk om ’s nachts naar de hemel te kijken. Dan staan alle sterren in bloei.

 

  • Je kijkt ’s nachts naar de sterren. Mijn thuisster is te klein om je aan te wijzen waar ze zich bevindt. Dat is ook beter zo. Mijn ster zal voor jou gewoon één van de sterren zijn en daarom zul je het dus prettig vinden naar alle sterren te kijken…Ze worden allemaal jouw vrienden. En verder geef ik je nog een cadeautje…

 

Hij lachte weer.

 

  • O kereltje , mijn kereltje , ik hoor die lach zo graag !
  • Dat is nu net mijn cadeautje …
  • Hoe bedoel je ?
  • De sterren zijn niet voor alle mensen hetzelfde. Jij zult sterren hebben zoals niemand die heeft…
  • Wat wil je daarmee zeggen ?
  • Omdat ik op één ervan woon , omdat ik op één ervan lach , zal het voor jou net zijn als je ’s nachts naar de hemel kijkt , of alle sterren lachen. Jij zult sterren hebben die kunnen lachen ! ‘
  1. Wanneer we spreken van ‘enten’ mogen we ons echter niet laten misleiden. Het gaat er niet om de slechte wortels te verwijderen, en te enten op nieuwe, goede wortels zodat iemand zich eindelijk ergens thuis kan voelen. Het gaat om het enten van de overdracht.

 

In de inleiding van ‘revus de Ψotherie instit. n°… ‘(p.14) gaat François Tosquelles terug naar de oorsprong van het woordje pedagoog om de brug te maken tussen de pedagogiek en de psychoanalyse, en om het begrip overdracht als sleutelbegrip in de analytische kuur uit te werken. Dit oorspronkelijk Griekse woord, peda-goog, betekent eigenlijk begeleider van het kind. In het oude Griekenland was de functie van de pedagoog niet die van de opvoeder die het kind thuis opvoedt, maar ook niet die van de meester die in de ‘Palestra’, de school, les geeft. De functie van de pedagoog was het brengen en halen van het kind tussen thuis, waar de moederlijke zorgen heersten, en de ‘school’ waar de leermeester les gaf. De pedagoog zorgde dus voor het vervoer, het transport, tussen het moederlijke en de school als voorbereiding op de buitenwereld. Dit vervoer was echter niet louter materieel! De pedagoog maakte deel uit van het familiaal circuit van het kind, en was ook,  weliswaar passief, aanwezig tijdens de les. Heel de zorg en verantwoordelijkheid van het moederlijke huis werd zo meegedragen en vervoerd. In het woordje transport zit in het Frans: “être transporté par”, in vervoering gebracht worden door, bewogen worden door,… Het was dus een transport waarbij de pedagoog zelf mee geraakt werd, mee bewogen, mee verantwoordelijk was.

 

Hiermee komen we heel dicht bij wat de overdracht is in Albe : ten eerste de vraag of het pakt en bij wie , ten tweede iemand meepakken , begeleiden , er mee op stap gaan , vaak letterlijk , ten derde telkens weer de vraag of het zal houden , of we hem of haar mogen lossen , tot waar we mee moeten gaan.

 

Hij wil op vakantie naar zee. We beslissen eerst op bezoek te gaan als anderen daar op vakantie zijn. Onmiddellijk ontketent zich een crisis. Het jaar erop gaan we een hele dag naar zee, om daar een ijsje te eten. Het lukt zonder crisis. Het jaar erop gaat hij mee op vakantie. De eerste dag doet hij een crisis. Hij installeert er zijn rituelen en blijft er nog twee dagen. Het jaar erop gaat hij een hele week mee naar de zee, drie dagen op ‘kampement’ in een stacaravan en mee op groepsuitstap naar ‘de Efteling’.

 

Ze woont in het huis van albe, in het dorp, maar als ze naar het kasteel gaat, komt ze niet aan: ze blijft in de tuin rond het kasteel cirkelen, raakt niet over de drempel. De club organiseert een wassalon op het domein van het kasteel waar ze haar was naartoe kan brengen. De club organiseert ook een tekenatelier naast het arkgebouw op het domein van het kasteel en een Frans atelier in het huis waar ze woont. Er wordt een bureau en een bureaustoel gekocht waarrond ze zich in het huis kan verzamelen. Het pakt. De club maakt zo een brug en helpt haar over de drempel te geraken zonder uiteen te vallen. Soms kan ze aankomen, in die ateliers, naast het kasteel. Sinds ze een tekenkaftje heeft, maakt ze haar werk niet mee zwart, maar kan het laten bestaan en verzamelt het in dat kaftje.

 

 

“Nu heb ik me een beetje getroost. ’t Is te zeggen… niet helemaal. Maar ik weet wel dat hij teruggekeerd is naar zijn planeet, want, bij het ochtendgloren, heb ik zijn lichaam niet teruggevonden. Het was niet zo’n heel zwaar lichaam… En ’s nachts hou ik ervan om naar de sterren te luisteren. Het is als vijfhonderdmiljoen belletjes…

 

Maar nu is er toch wel iets uitzonderlijks gebeurd. De muilband die ik voor de  kleine prins getekend heb, ik ben vergeten er de lederen riem aan toe te voegen! Hij zal hem nooit hebben kunnen vastmaken aan het schaap! En dan vraag ik me af: ‘wat is er gebeurd op zijn planeet? Misschien heeft het schaap wel de bloem opgegeten?’

 

De ene keer zeg ik me: ‘zeker niet! De kleine prins sluit zijn bloem elke nacht op onder zijn glazen stolp, en hij bewaakt zijn schaap goed…’

Dan ben ik gelukkig. En alle sterren lachen zachtjes.

 

Dan weer zeg ik me: ‘Men is de een of andere keer verstrooid, en dat is voldoende! Hij heeft, op een avond, de glazen stolp vergeten, of het schaap is ’s nachts zonder lawaai naar buiten gegaan…’ Dan veranderen de lachjes alle in tranen!…

 

Dat is een groot mysterie. Voor jullie die ook houden van de kleine prins, zoals voor mij, is niets in het universum gelijk als ergens, men weet niet waar, een schaap dat we niet kennen, al dan niet een roos heeft opgegeten…

 

Kijk naar de hemel. Vraag je af, heeft het schaap al dan niet een bloem opgegeten? En je zal zien hoe alles verandert…

En geen enkele grote mens zal ooit begrijpen dat dat zo belangrijk is!“

Steven Delafortrie

[1] De term constellatie komt uit de sterrenkunde: grote beer, kleine beer,… zijn constellaties van sterren.